Veilig vertrekken met een correct afgestelde bestuurdersplek
Een veilige rit begint vóór u de motor start. Net zoals een vaste controle bij brandpreventie risico’s vroegtijdig beperkt, voorkomt een correct ingestelde bestuurdersplek veel problemen onderweg. Met een paar gerichte handelingen creëert u beter zicht, meer controle over de pedalen en een doeltreffendere bescherming bij een onverwachte manoeuvre of botsing.
Een goede zithouding geeft u meer controle over de auto
De juiste zithouding auto draait niet om comfort alleen. Wanneer u te ver van de pedalen zit, te laag in de stoel hangt of het stuur met gestrekte armen vasthoudt, reageert u minder nauwkeurig. Vooral bij plots remmen, uitwijken of een scherpe bocht is een stabiele houding merkbaar.
Zorg eerst dat u volledig achterin de stoel zit. Uw onderrug moet contact houden met de rugleuning, zodat uw bekken en rug ondersteuning krijgen. Plaats vervolgens uw rechtervoet op het rempedaal en druk dit stevig in. Uw knie moet daarbij licht gebogen blijven. Is uw been volledig gestrekt, schuif de stoel dan iets naar voren. Staat uw knie te sterk gebogen, schuif dan naar achteren.
Ook de rugleuning beïnvloedt de voertuigcontrole. Een te ver achterover gekantelde leuning maakt het moeilijker om het stuur snel en krachtig te bedienen. Zet de leuning daarom relatief rechtop, zonder dat u gespannen zit. Uw schouders horen de rugleuning te blijven raken terwijl u het stuur vasthoudt.
Voor aanvullende begeleiding rond rijhouding, bediening en de voorbereiding op veilig rijden vindt u meer informatie. Een rijopleiding besteedt doorgaans aandacht aan de afstelling van stoel, spiegels, stuur en hoofdsteun, omdat deze onderdelen samen bepalen hoe goed een bestuurder verkeerssituaties waarneemt en op pedalen of stuurbewegingen reageert. Door die volgorde consequent toe te passen, wordt de voorbereiding een vaste veiligheidsroutine.
Stel stoel, stuur en hoofdsteun in een vaste volgorde af
Een vaste afstelvolgorde voorkomt dat u een onderdeel vergeet of een eerdere instelling onbedoeld verandert. Stel bijvoorbeeld nooit eerst de spiegels af en verplaats daarna de stoel. Zodra uw zitpositie wijzigt, klopt uw spiegelbeeld immers niet meer.
Begin met de zitting en rugleuning
Pas de hoogte van de zitting aan wanneer uw auto deze functie heeft. U moet goed over het stuur en dashboard kunnen kijken, maar er moet voldoende ruimte blijven tussen uw hoofd en het dak. Houd ook rekening met de airbag in het stuurwiel. Te hoog zitten kan uw hoofd dichter bij het dak brengen, te laag zitten beperkt uw zicht vlak voor de auto.
Controleer daarna de zitdiepte. Uw bovenbenen moeten steun krijgen van de zitting, zonder dat de voorkant van de stoel tegen uw knieholtes drukt. Dat bevordert de doorbloeding en helpt u langer alert te blijven.
Zet het stuur op veilige afstand
Stel het stuur pas af nadat de stoel en rugleuning goed staan. Houd beide handen op ongeveer de posities negen en drie uur. Uw armen moeten licht gebogen zijn en uw schouders moeten tegen de leuning blijven rusten. Als u uw armen moet strekken om het stuur te bereiken, staat het stuur te ver weg of zit u te ver naar achteren.
Richt het midden van het stuur op uw borstkas, niet op uw gezicht. Hierdoor werkt de airbag bij een aanrijding beter samen met de veiligheidsgordel. Houd minstens ongeveer 25 centimeter afstand tussen uw borst en het stuur, zonder dat u de pedalen minder goed bereikt.
Plaats de hoofdsteun op de juiste hoogte
De hoofdsteun is geen comfortabel kussen voor de nek, maar een veiligheidsvoorziening tegen een whiplash bij een botsing van achteren. De bovenkant hoort ongeveer gelijk te staan met de bovenkant van uw hoofd. Staat de hoofdsteun te laag, dan kan uw hoofd bij een botsing te ver naar achteren bewegen.
Plaats de hoofdsteun bovendien zo dicht mogelijk achter uw hoofd, zonder dat deze u dwingt om voorover te zitten. Een kleine afstand biedt de beste ondersteuning wanneer uw lichaam plotseling naar achteren beweegt.
Controleer voor vertrek deze onderdelen stap voor stap
Maak van de voorbereiding een korte routine, zeker wanneer meerdere collega’s of gezinsleden dezelfde auto gebruiken. De volgende controles kosten weinig tijd en verkleinen de kans op afleiding, lichamelijke spanning en beperkt zicht.
-
Stel de stoel in vóór u de spiegels aanraakt. Controleer de afstand tot de pedalen, de hoogte van de zitting en de hoek van de rugleuning. U moet de rem krachtig kunnen indrukken zonder uw rug van de leuning te halen. Bij een handgeschakelde auto controleert u ook of u de koppeling volledig kunt intrappen.
-
Pas de buitenspiegels aan voor maximaal zijzicht. In de linker- en rechterspiegel mag slechts een klein deel van de eigen auto zichtbaar zijn. Richt de spiegels zo dat u vooral de rijstroken naast en achter u ziet. Daardoor beperkt u de dode hoek, al blijft over uw schouder kijken noodzakelijk voor elke rijstrookwissel.
-
Zet de binnenspiegel centraal op de achterruit. U hoort de volledige achterruit te zien zonder uw hoofd te draaien. Bij duisternis kan de nachtstand hinderlijke verblinding door achteropkomend verkeer verminderen. Gebruik deze stand alleen wanneer dat nodig is, omdat het beeld minder helder wordt.
-
Leg de veiligheidsgordel vlak over uw lichaam. Het diagonale deel loopt over het midden van uw schouder en borst, niet langs uw hals of over uw bovenarm. Het heupgedeelte hoort laag over uw bekken te liggen, niet over uw buik. Verwijder een dikke jas als die ervoor zorgt dat de gordel los of gedraaid zit.
-
Maak uw bedieningsruimte vrij. Berg een fles, tas of los gereedschap op voordat u vertrekt. Voorwerpen onder de pedalen of op de bestuurdersvloer kunnen de bediening hinderen. Plaats telefoon, parkeerkaart en routeinformatie vooraf, zodat u tijdens het rijden niet hoeft te zoeken.
Veelgemaakte fouten verminderen de bescherming van gordel en airbag
Een gordel onder de arm dragen, achter de rug vastklikken of met een klem losser maken, vermindert de bescherming sterk. Bij een botsing kan uw lichaam dan verder naar voren bewegen dan bedoeld, met meer kans op letsel. Ook een gedraaide gordel verdeelt de kracht minder goed over het lichaam.
Let extra op winterkleding. Een dikke jas creëert ruimte tussen uw lichaam en de gordel. Open of verwijder de jas, trek de gordel strak en leg eventueel een deken over u heen nadat u bent vastgeklikt. Bij kinderen en passagiers gelden dezelfde principes: iedere inzittende heeft een passend afgestelde hoofdsteun en gordel nodig.
Veilig wegrijden begint met een vaste voorbereiding
Een zorgvuldig afgestelde bestuurdersplek ondersteunt elke rit, van een korte verplaatsing tot een lange zakelijke rit. De kernpunten zijn eenvoudig:
- Zorg voor een stabiele zithouding met licht gebogen knieën en armen.
- Stel stoel en stuur af voordat u de spiegels instelt.
- Plaats de hoofdsteun ter hoogte van uw hoofd en dicht erachter.
- Draag de gordel strak, vlak en laag over het bekken.
- Verwijder losse voorwerpen en controleer uw zicht voordat u wegrijdt.
Door deze handelingen telkens in dezelfde volgorde uit te voeren, vertrekt u met meer zicht, betere controle en minder vermijdbare risico’s.